Metingen

bron: Symposium "De schelde door de getijden heen"

Oxygen

Zuurstof is essentieel voor alle hoger leven en dus een goede graadmeter voor de toestand van het estuarium. Het is de resultante van zuurstofopname (door fysische beluchting en primaire productie door algen) en zuurstofverbruik (in hoofdzaak bacteriën). Zuurstof was het voorbije decennium duidelijk in stijgende lijn aanwezig in de Schelde. Daar waar in de jaren ’90 alle zones van de Schelde te kampen hadden met ernstige zuurstoftekorten (< 2,5 mg/l), zijn deze problemen de laatste jaren volledig van de baan. In 2006 werd zelfs, voor het eerst sinds de start van OMES, oversaturatie waargenomen. Anno 2013 komt oversaturatie in de zomer zeer frequent voor en werden extreem hoge waarden tot 195% zuurstofverzadiging geregistreerd. Deze duiden duidelijk op een overmatige algenbloei en het niet in evenwicht zijn van het ecosysteem. Deze zeer sterke algen bloei leidt gelukkig niet tot typerende eutrofiëringsproblemen zoals nachtelijke anoxie of zuurstoftekorten wanneer de algenmassa afsterft.

Fytoplankton (chlA)

Fytoplankton is voor zijn groei afhankelijk van licht en nutriënten zoals N, P en Si. De hoeveelheid licht en nutriënten verschilt doorheen het jaar. De stijgende hoeveelheden zonlicht bepalen de groei van fytoplankton in de lente. Dit kan gemeten worden door chlorofyl te meten. Hoge concentraties chlorofyl worden dan ook waargenomen in de lente en de zomer. Groei van de algen (diatomeeën) wordt in gang gezet door het zonlicht en hoge concentraties silicium. Wanneer de hoeveelheid Si is opgebruikt, sterven de diatomeeën en bij stijgende N en P concentraties in de zomer worden dan weer andere algenbloeien in gang gezet. In de herfst is de hoeveelheid N en P beperkt waardoor de bloei opnieuw verdwijnt.
Ammonium
Stikstof (N) is essentieel voor algengroei. Stikstof is in de Zeeschelde in grote hoeveelheden aanwezig, wat algenbloei met potentieel negatieve effecten kan veroorzaken: eutroficatie. Extreme bloei doet zich echter niet voor in de Schelde omwille van het slechte lichtklimaat (lichtindringing). De stikstofbelasting kan wel de kustregio's bereiken, waar het lichtklimaat beter is, en waar dus wel een grote algenbloei kan ontstaan. MONEOS voorziet dat er een maximum export van anorganisch stikstof (TDIN) mag gebeuren van het estuarium naar de kustgebieden.
De samenstelling van TDIN is veranderd over de jaren. In de jaren 90 was ammonium een grote component in de totale N-concentratie. Sinds verbetering van de waterkwaliteit is ook de concentratie zuurstof er op vooruit gegaan, waardoor ammonium getransformeerd wordt in nitraat (NO3), wat problemen geeft. De laatste jaren is er een daling in ammonium en nitraat waargenomen (dankzij waterzuiveringsinstallaties), waardoor de totale N-concentratie gedaald is in het estuarium.
Zooplankton
De langetermijnreeks van de observaties van Crustacea: Copepoda en Cladocera (1996-2012) toont aan dat de zooplanktongemeenschap in de Schelde veranderd is in de loop van de OMES observatieperiode. Calanoide Copepoda zijn sterk gestegen in de zoetwaterzone, terwijl er geen trend is in de brakwaterzone. Voor Copepoda gaat dit voornamelijk over Eurytemora affinis, die nu tot 90% uitmaakt van de Copepoda in de zoetwaterzone. In parallel met de ontwikkeling van deze soort in de zoetwaterzone, is de mesozooplanktongemeenschap sterk veranderd: Copepoda en Cladocera zijn sterk verminderd in abundantie. Deze observaties voeden de hypothese dat Cyclopoida en Cladocera (die wel sterk aanwezig waren voor 2007), minder gevoelig zijn voor verminderde waterkwaliteit dan Calanoida.